Test Aankoop voor scholen. De verleiding van het simplificeren - Roger Standaert
Tijdschrift IMPULS - Blog April
Waarover gaat het?
In de Angelsaksische onderwijswereld is er een sterk geloof in de
exacte meetbaarheid van menselijk gedrag, dus ook van leerprestaties.
Het succes van het werken met meetbare kwaliteitsfactoren in het
onderwijs gedurende de laatste decennia kan gedeeltelijk verklaard
worden vanuit de opkomende golf van economische concurrentie. Die
globalisering evolueert naar een nadrukkelijke open vrije markt.
Onderwijs wordt in die zin gezien als hefboom voor economische groei en
competitie. In de praktijk komt dat neer op een aansturing van het
onderwijs via meetbaarheid en allerlei toetsen zodat vergelijking en
competitie mogelijk worden. Het onderwijs wordt dan aangestuurd door
gemakkelijk te gebruiken cijfers in plaats van door doelstellingen.

Zoals de economen dartelen met cijfers over geldstromen allerhande
in een competitieve markt, meent men dat dit ook moet kunnen met
prestaties van leerlingen en scholen. Op die manier moeten ook scholen
(en a fortiori de leerlingen) wedijveren in een open en vrije markt. Je
moet kunnen zien welke school de beste is om op die manier de markt van
de optimale schoolkeuze te laten spelen. En daartoe heb je ‘objectieve’
toetsen nodig, die de prestaties omzetten in cijfers. En als je cijfers
hebt, kan je onbeperkt gaan rekenen. Het vergelijken van die scores
maakt het voor de consument-ouder zo aantrekkelijk omdat een complexe
materie maximaal vereenvoudigd wordt. De doorsnee burger ligt niet
wakker van problemen van toetsbaarheid, betrouwbaarheid en validiteit
van dergelijk toetsen. De zekerheid die de cijfers bieden, stelt de
mensen gerust. Van hun kant maken de toetsenmakers er niet speciaal veel
werk van om te wijzen op de onvolledige en slechts benaderende waarde
van die cijfers. Het produceren van toetsen voor het meten van de
gepercipieerde kwaliteit van het onderwijs is een wereldwijde
miljardenindustrie geworden. De geliefkoosde opbouw ervan via de
normaalverdeling garandeert voor de cliënten-ouders per definitie
middelmatige, goede en slechte scholen.
In ons land zijn we niet zo ver dat dergelijke rankings van scholen
mogelijk zijn. Er zijn (nog) geen opgelegde centrale en
gemeenschappelijke toetsen. Dat neemt niet weg dat de aandrang om
scholen te vergelijken ook doorsijpelt naar de landen waar een
curriculum niet samenvalt met de toetsen. Onder meer internationaal
georganiseerde toetsen zoals PISA, TIMSS, PIRLS en dergelijke hebben het
rangschikkingsdenken ook verspreid naar landen waar toetsen gebruikt
worden als middel en niet als doel. De ruchtbaarheid die aan die toetsen
wordt gegeven vormt de bedding voor een stroom van verwachtingen om
scholen te kunnen vergelijken. De verleiding van het vergelijken blijft
echter; ook als er geen centrale toetsen zijn. Er moeten toch andere
indicatoren zijn waarmee je een school kan profileren op basis van wat
ze als kwaliteit veronderstellen. Je kan dan die profielen vergelijken
en zo is aan de behoefte aan vergelijken voldaan. Dit denken is erg
verleidelijk geworden onder meer door de media-aandacht voor
internationale toetsen, die vanuit hun Angelsaksische denkkaders zijn
overgewaaid.
De Vlaamse media hebben enthousiast meegespeeld in dit
vergelijkingsdenken, voornamelijk via de internationale
verspreidingsmachinerie van de PISA, TIMSS, PIRLS en dergelijke.
Zeldzaam zijn de kritische stemmen bij de validiteit en betrouwbaarheid
van deze toetsen en a fortiori van hun ambities om daarmee te
rangschikken. Maar dat vraagt nogal wat doorgedreven statistische en
methodologische achtergrond en die wordt vaak via voorgeprogrammeerde
samenvattingen door de opstellers van die toetsen weggevlakt.
Wie bijt de spits af?
Het jeukte al een twintigtal jaren geleden bij de geschreven pers om
met een primeur uit te pakken en de klant-ouder een instrument te
bieden om de kwaliteit van een school te vergelijken.
In augustus 2000 was er een initiatief van Test Aankoop. Het
tijdschrift stelde een vragenlijst op en vroeg de scholen die te
beantwoorden. Er was een respons van 10 % van de 423 aangeschreven
scholen (Test Aankoop, september 2000). Het was daarbij niet de
bedoeling om rangschikkingen van scholen te maken, maar er tendensen uit
te distilleren.
Verder was er in 2007 nog een initiatief van de krant De Standaard
om schoolrapporten uit te delen. De krant pakte op 22 januari 2007 uit
met een grote titel: ‘Het grote scholenrapport’. De krant ontleedde de
conclusies van de inspectierapporten in tien afleveringen. Voor het
eerst kwamen deze resultaten nu in de media, alhoewel ze in feite ook op
de website van de inspectie te raadplegen waren. Toen was er al de
sirenenzang van de centrale toetsen. In een kaderartikeltje over de
Engelse situatie liet de redactie weten, dat dit Engelse systeem toch
wel erg goed was. Centrale toetsen zouden op die wijze dus een maat
kunnen worden om scholen te beoordelen en te vergelijken.
Het Nieuwsblad pakte op 17 maart 2023, net zoals De Standaard in
2007 uit met een nieuwe versie van een schoolrapport. Via een app werden
een aantal indicatoren uit de databanken gehaald die dan per school
kunnen opgelijst worden. Het gaat om het aantal attesten A-B-C, het
aantal doorstromers naar en in het hoger onderwijs, de zittenblijvers,
een maat van diversiteit en de SES-kenmerken van leerlingen die gebruikt
worden om bijkomende middelen te genereren. De toegankelijkheid van de
databanken van de overheid (onder meer Dataloep) maakt het gemakkelijk
om die gegevens per school op te halen en ze te vergelijken met andere
scholen.
Alleen is daar niets nieuws aan. De overheid, de inspectie en de
pedagogische begeleiding maken al decennia gebruik van deze databanken
om bepaalde beleidsaspecten in kaart te brengen en er mogelijke
bijsturingen uit te distilleren. Een probleem is echter dat je uit die
databanken veel meer gegevens kan halen dan degene die de krant heeft
gekozen. Een tweede probleem is – en dat is wezenlijk – dat je met die
keuze een concept van kwaliteit van onderwijs hanteert, dat niet alleen
onvolledig is, maar ook nog eens alle mogelijke contexten negeert. De
databanken van de administratie worden continu gebruikt en
bediscussieerd op het centrale niveau van inspectie, pedagogische
begeleiding, administratie en desgevallend door de overheid bij bepaalde
intenties van de betrokken regeringen. Het werken met indicatoren om
het onderwijs in kaart te brengen, is dus helemaal niet nieuw en behoort
tot de dagelijkse gang van zaken bij de inspectie en meer en meer ook
bij de zelfevaluatie van scholen. Maar er stellen zich twee problemen:
vooreerst het probleem van de bomen en het bos en vervolgens van het
inzicht in de contexten.
Een schril contrast
Het kiezen en interpreteren van indicatoren om een idee te krijgen
over de kwaliteit van een school is geen vanzelfsprekende zaak. Met die
problematiek wordt bijvoorbeeld de inspectie constant geconfronteerd. Na
vele jaren ervaring en na een intensief proces van studie en
gedachtewisselingen met allerlei participanten, kwam de inspectie in
2017 naar buiten met een gedragen raamwerk voor onderwijskwaliteit. Voor
dat raamwerk werden vier grote rubrieken gekozen waarbinnen dan een
reeks indicatoren werden bepaald. Om een idee te geven van de coherentie
en volledigheid van dit raamwerk van indicatoren volgt hier de lijst.
1. Resultaten en effecten: 6 indicatoren
2. Kwaliteitsontwikkeling door de school: 3 indicatoren
3. De ontwikkeling van de leerling stimuleren
- Doelen: 4 indicatoren
- Vormgeving van het leren en onderwijzen: 4 indicatoren
- Begeleiding van de leerlingen: 4 indicatoren
- Opvolging van de leerlingen: 4 indicatoren
4. Beleid
- Algemeen beleid: 6 indicatoren
- Onderwijskundig beleid: 1 indicator
- Personeels-en professionaliseringsbeleid: 2 indicatoren
- Financieel en materieel beleid: 2 indicatoren
- Fysieke en mentale veiligheid: 1 indicator
Het gaat dus om niet minder dan 37 gekozen indicatoren, die
bovendien in vier gradaties worden geschetst. Op die manier wil de
inspectie een genuanceerd portret van iedere school schetsen.
Daarenboven bestaat de professionaliteit van de inspectie erin om dit
geheel van waarnemingen te toetsen aan de concrete context van de
school. En daarbij is een dialoog met de betrokken school en haar
participanten levensnoodzakelijk.
Het zal nu al duidelijk zijn dat de indicatoren die door de krant
zijn geselecteerd, een enorme vereenvoudiging inhouden van het geheel
van de onderwijskwaliteit. Daarenboven gaat het dan nog om die
indicatoren die in eenvoudige statistieken zijn te vatten. Indicatoren
van alles en nog wat zijn echter populair. Ze hebben alle de bedoeling
om greep te krijgen op verschijnselen, die vaak moeilijk toegankelijk
zijn. Daarom moet je er erg voorzichtig mee omgaan. Vandaar enige
uitweiding hierover ten behoeve van de believers in het krantenrapport.
Indicatoren kiezen
Indicatoren moeten relevant zijn voor de onderzochte situatie en die
ook voldoende dekken. Naarmate deze cijfers beter de situatie dekken,
kunnen we ze als eenvoudige of enkelvoudige (in tegenstelling tot
samengestelde) indicatoren beschouwen. Het verschil met statistieken is
bij deze erg dekkende indicatoren niet zo groot. Het verschil zit in de
functionaliteit van de cijfers. Het verzamelen van dergelijke
statistische indicatoren is immers vrijwel onbeperkt. Je kan immers over
ieder detail een statistiek maken. Daarom zijn er altijd keuzes nodig.
In onderwijsstatistieken zou je bijvoorbeeld, naast de door de krant geselecteerde, volgende indicatoren kunnen vooropstellen:
- de gemiddelde klasgrootte,
- het aantal kinderen dat een verwijzingsadvies krijgt naar het buitengewoon onderwijs,
- het aantal geslaagden in een bepaalde studierichting,
- het aantal leerlingen die na het lager onderwijs naar het leerjaar B gaat,
- het aantal kinderen dat gediagnostiseerd is voor dyslexie,
- het aantal kinderen dat op de leeftijd van 2,5 jaar niet naar de kleuterschool gaat,
- het aantal scholen dat het logo van sportactieve school krijgt …
De lijst kan met tientallen voorbeelden worden aangevuld. Daarmee is al duidelijk dat de keuze in de kranten-app erg beperkt is.
Er zijn echter ook complexere situaties mogelijk waarbij niet één
indicator nodig is, maar verschillende. Dan worden diverse indicatoren
samengeteld in een bepaalde verhouding. Goed gekende voorbeelden daarvan
zijn het bruto binnenlands product (bbp), het intelligentiequotiënt of
de ecologische voetafdruk. Een duidelijk voorbeeld in het Vlaamse
onderwijs is de samengestelde kansarmoede-indicator op basis van vier
criteria:
- de thuistaal die niet de schooltaal is,
- recht hebben op een schooltoelage (proxy voor inkomen),
- het opleidingsniveau van de moeder (onder het getuigschrift secundair onderwijs),
- de buurt waar een leerling verblijft.
Voor samengestelde indicatoren geldt wel dat als je veel gegevens
samenbrengt in één getal er ook in evenredige mate verlies van
informatie is.
Als de dekking van een geïndiceerde situatie of gebeurtenis minder
groot is, spreekt men van proxy-indicatoren. Het komt vaak voor dat de
congruentie tussen het cijfer en de bedoelde gebeurtenis onvolledig is.
Het zijn dus benaderende indicaties of indicatoren die ze gemeenzaam
‘proxy’s’ noemen. Het is meteen duidelijk dat het risico op vertekening
groter is dan bij een dekkende, eenvoudige indicator.
Proxy’s kunnen bijvoorbeeld zijn, zoals onder meer blijkt uit het
Vlaamse voorbeeld van de samengestelde indicator voor socio-economische
status van de leerlingen:
- het recht op gratis schoolmaaltijden als proxy voor een laag inkomen (cf. Engeland),
- laag inkomen geïndiceerd als het recht op een studietoelage (cf. Vlaanderen),
- het opleidingsniveau van de moeder als proxy voor de culturele achtergrond van een kind.
- De
ESCS-index: de index van economische, sociale en culturele status,
waarbij men een samenstelling maakt van het beroep van de ouders, hun
opleidingsniveau en een twintigtal kenmerken van materiële welvaart.
- De
cultuur thuis kan je dan nog eens in vele subfactoren indelen.
Bijvoorbeeld: gaat het gezin naar musea, lezen de ouders voor, gaan de
kinderen op tijd naar bed, zijn de ouders geïnteresseerd in de school,
zijn er leesboeken in huis, kijken de kinderen veel TV, zijn de ouders
meer of minder geschoold, is het een één-ouder-gezin, zijn er
scheidingsproblemen, is er veel comfort in huis (en wat is dan comfort?)
enzovoort.
De keuze van indicatoren is niet neutraal
Een indicator is een middel om dat wat we belangrijk achten in kaart
te brengen en te vergelijken. Het zal inmiddels wel duidelijk zijn dat
het aantal mogelijke indicatoren vrijwel onbeperkt is. Dan is het nodig
keuzes te maken en prioriteiten te stellen. Dat is niet zomaar een
formaliteit, die uit de logica van een verschijnsel of een systeem af te
leiden is. En zo komt het dat het kiezen van indicatoren tot allerlei
discussies leidt, waaruit blijkt dat een dergelijke keuze waardegeladen
is. Het kiezen van indicatoren is dus allesbehalve een neutrale
activiteit.
De keuze is vaak gebonden aan een achterliggend, al dan niet
openlijk of verborgen waardeperspectief. Vaak is dat waardeaspect ook
gebonden aan een bepaalde overheersende vakdiscipline zoals economie,
sociologie, psychologie, pedagogie, antropologie … Denk bijvoorbeeld aan
de grote druk van Europa om STEM te bevorderen. Of de nadruk op
uitbreiding bij de eindtermen eerste graad. Of de keuze om toch de
onderwijsvormen te behouden naast de finaliteiten. Het is ook niet
uitgesloten dat indicatoren gekozen worden om bepaalde praktijken te
legitimeren. Vooral indicatoren over het kostenplaatje en het rendement
van het onderwijs zijn gevoelig voor mogelijk misbruik.
Ook bij het kiezen van indicatoren voor het onderwijs worden dus
waardegebonden keuzes gemaakt. Wat beschouw je als ongekwalificeerd
zijn? Of wat bedoel je met minimale geletterdheid? Hoe definieer je een
allochtoon? Naargelang de definitie die je kiest, veranderen uiteraard
ook je cijfers en daarmee ook de mogelijke interpretaties. Enkele
voorbeelden met connectie naar de lijst in de krant:
- Wat beschouw je als ongekwalificeerd zijn?
- Hoe definieer je diversiteit? Of sociale mix?
- Vind je de cijfers voor toetreding tot het hoger onderwijs belangrijker dan die voor het behalen van een finaliteit?
- Bepaal je je indicator voor onderwijsvormen of voor finaliteiten?
- Vind je B-attesten in de eerste graad belangrijk?
- Hoe definieer je het anders zijn van de thuistaal ten overstaan van de schooltaal?
Keuzes zijn er altijd bij statistieken en indicatoren. Want
schoolresultaten hangen ook af van de cultuur thuis, van de impact van
de vrienden, van de sfeer in de klas, van het zelfbeeld van de leerling,
van zijn ijver enzovoort.
Een ander voorbeeld: er zijn ruwe verbanden te vinden tussen
schooluitslagen en gescheiden ouders. Maar wat houdt de factor scheiding
precies in? Is het een vechtscheiding? Is er co-ouderschap? In dat
geval: welke vormen van co-ouderschap kan je onderscheiden? Hoe oud
waren de kinderen bij de scheiding? Dat zijn nogal wat factoren, die elk
op zich een andere context vormen.
Je kan alleen maar stellen dat menswetenschappen (en
schoolresultaten zitten in dat kader) niet te vatten zijn in schalen
zoals de natuurwetenschappen. Contexten en onvoorspelbaarheid van
menselijk gedrag eisen hun tol in mathematische exactheid. En de keuzes
die je maakt bij het kiezen van indicatoren zijn niet wiskundig te
bepalen. Het zijn uitingen van waarden die je hanteert. De indicatoren
worden dan, bij ongenuanceerd gebruik, echter wel de doelstellingen van
het onderwijs.
Indicatoren en neveneffecten
Door de verleiding van de eenvoud van cijfers is er vaak sprake van
het leggen van causale verbanden. Maar vaak is de oorzakelijke relatie
niet herkenbaar. Als onderwijseconomen zeggen dat er een verband bestaat
tussen het inkomen van een land en de deelname aan het hoger onderwijs,
dan kan het ook zijn dat het precies door het hoge inkomen is dat vele
studenten naar het hoger onderwijs gaan. Het is in feite een variatie op
de kip-of-het-ei-problematiek. In het onderwijs is het zo dat
schoolresultaten niet met één factor samengaan, maar met vele factoren.
Bij de indicatoren in de bewuste krant staan de cijfers van het
instappen in het hoger onderwijs erg centraal. De verleiding om dat als
een kwaliteit te beschouwen is dan zeer groot. Maar:
- Hoeveel leerlingen zijn in die school begonnen en hoeveel daarvan zijn er uiteindelijk overgebleven?
- In welke context kan je het aantal toetredingen tot het hoger onderwijs duiden? Speelt de waterval en in welke mate?
- Hoe speelt de waterval mee in de doorstroom van de leerlingen in de school?
- Hoe
maak je een onderscheid tussen indicatoren voor een gemeenschappelijke
eerste graad en die van meer specifieke richtingen of finaliteiten?
- Hoe
vind je indicatoren na een eerste graad wanneer veel leerlingen
uitzwermen naar andere scholen of naar een bepaalde richting of
finaliteit?
- Welke rol spelen de finaliteiten (onderwijsvormen) daarin?
- Wat is de waarde van technische-en beroepsscholen die leerlingen vormen tot vakmensen en technici?
- Waarom wordt het kwalificeren tot vakmens niet als indicator opgenomen?
Andere belangrijke neveneffecten komen uit de vermelding van de SES-indicatoren. Wat is het geval?
- Het is geweten dat het vermelden van die indicatoren leidt tot vluchtgedrag bij de geïnformeerde middenklasse.
- Leraren
en scholen die hun best doen om kansarme leerlingen een goede vorming
te geven, worden geconfronteerd met steeds meer kansarme leerlingen.
- Andere scholen krijgen dan de zogenaamd betere leerlingen en worden bij wijze van spreken slapend kwaliteitsvol.
- Heel
wat kandidaat-leraren worden afgeschrikt door te werken in scholen met
een hoog percentage van leerlingen die aan de SES-indicator voldoen. De
arbeidsbelasting is immers groter in die scholen.
- Veel
C-attesten in het beroepsonderwijs worden ten onrechte en bij voorbaat
als minder succesvol gepercipieerd, terwijl ze contextueel te wijten
zijn aan het cascademechanisme.
In de economie is dit keuzeverschijnsel gekend als de wet van
Goodhart. Die wet stelt, erg summier uitgelegd, dat het opdrijven van
prestaties in één aspect van een organisatie vaak gepaard gaat met het
verminderen van prestaties bij een ander aspect. Als je meetbare
schoolresultaten gaat overwaarderen krijg je teaching-to-the-tests en
karaokegedrag bij leraren. In het slechtste geval krijg je de zogenaamde
Icarus paradox (Walsh, 1994, 59). Door te sterk te focussen op één
factor, die dan succesvol verloopt, kan een organisatie als geheel
mislukken, omdat de andere aspecten worden verwaarloosd.
De verleiding van het simplificeren
Met de nodige bravoure pakte de krant uit met ‘ rapporten van alle
middelbare scholen’. De tool ‘De onderwijzer’ laat toe om scholen met
elkaar te vergelijken via ‘allerlei nooit gepubliceerde gegevens’ (
krant 26 maart). Succes blijkt doordat de tool al 400.000 keer was
bezocht.
De krant zegt niet dat die gegevens reeds lang volledig ter
beschikking staan voor wie ze wil gebruiken. In een andere editie laat
de krant ‘experts’ zeggen dat dit een atoombom is in ons onderwijs.
Scholen willen niet dat ze worden gerangschikt (opnieuw volgens
‘experts’).
Daar gaat het precies om. Scholen zijn niet zomaar
vergelijkbaar. Het zijn levende en complexe organisaties, waarin een
duidelijke gelijkheid gewaarborgd wordt door eindtermen, structuren,
organisatorische voorwaarden, bevoegdheidsbewijzen,
participatieverplichtingen, veiligheidsvoorschriften en hygiënische
normen. Maar daarbuiten speelt de context de cruciale rol. En die is het
meest van al te vinden in de oervorm van leren en onderwijzen: de
relatie leerling-leerkracht. Die overkoepelende pedagogische dimensie is
niet in cijfers te vatten. Die kan je maar terugvinden via genuanceerde
totaalverslagen (bijvoorbeeld van de inspectie), schoolreglementen,
visieteksten van schoolbesturen en niet in het minst via
mond-aan-mondinformatie. Verder kan je zien hoe een school rapporteert
aan de ouders, hoe een leerlingenrapport eruitziet en verder zijn nog
een heleboel gebruiken en gewoonten die je er al dan niet kan
aantreffen.
Het selectief kiezen van een beperkt aantal indicatoren levert
sowieso een bias op die vertekenend werkt. Het meest duidelijk is dat in
de keuze van deze krant met het publiceren van de GOK-indicatoren bij
leerlingen. Die leiden tot nog grotere ongelijkheid in scholen. Sociale
groepen verschillen immers in de mate waarin ze in staat zijn informatie
te interpreteren. Op die wijze komt de informatie alleen terecht bij de
beter gesitueerde ouders met als neveneffect dat de
onderwijsongelijkheid toeneemt. Daarenboven zullen ouders met grotere
ambities de verkregen informatie op een meer effectieve wijze inzetten.
Met het gevolg dat er bijvoorbeeld bij schoolkeuze meer segregatie zal
optreden. Wellicht zal deze krant ook verwachtingsvol uitkijken naar de
komende centrale toetsen. Dan wordt het voor de cijferbelievers helemaal
duidelijk waar de beste resultaten worden gehaald. Ook al wordt
voortdurend gesteld dat de resultaten niet mogen worden gebruikt om
scholen te vergelijken. Dat is inderdaad evident, maar jammer genoeg een
illusie.
De literatuurwetenschapper Guépin heeft een dergelijke evolutie ooit
en niet zonder ironie ‘De Wet van de Anders Vergeefse Moeite’
genoemd. Hij stelde dat als je honderd Nederlandse romans hebt moeten
lezen, je wel niet anders kan dan Couperus, Vestdijk en Hermans goed
vinden, anders is het zonde van de moeite (Guépin, 1996, 160). Met een
zelfde ironie veronderstel ik dat als je zo vaak en zo intensief met
bepaalde indicatoren wordt geconfronteerd, je het zonde vindt om die
resultaten niet belangrijk te vinden.
Misschien mag ik de lezer van deze blog uitnodigen om ook eens een
oordeel uit te spreken over de door de krant gebruikte indicatoren. De
volgende vragen zijn daarvoor relevant:
- Wat meet de indicator precies?
- Wat meet hij niet?
- Welk nut hebben de gegevens voor de eigen situatie?
- Welke neveneffecten kunnen door de betreffende indicatoren ontstaan?
Bronnen
Februari, Maxim (2023). Doe zelf normaal. Menselijk recht in tijden van datasturing en natuurgeweld. Amsterdam: Prometheus.
Guépin, J.P. (1996). De vader van Jezus en andere smalende teksten. Amsterdam: Van Gennep.
Nicaise, I. (2023). Ons onderwijs wordt niet beter van Vlaamse toetsen. De Gids op Maatschappelijk Gebied, n° 2, maart, 17-25.
Standaert, R. (2014). De becijferde school. Meetcultus en meetcultuur. Leuven: Acco (vooral hoofdstuk 7).
Walsh, K. (1994). Quality surveillance and performance management. - In: K. Riley & D. Nuttal (Eds). Measuring quality. Education indicators. London: Falmer, 49-68.
12 april 2023
Roger Standaert, redactielid Impuls
#onderwijs #leidinggeven #impuls #blog
---> Lees IMPULS – Onderwijstijdschrift voor leidinggevenden
Je onderwijsteam enthousiasmeren en engageren is cruciaal. Impuls helpt daarbij. Het biedt als enige onafhankelijk tijdschrift ter zake een waardevolle ondersteuning aan schoolleiders. Impuls
publiceert vier keer per jaar artikelen, interviews, recensies en
achtergrondinformatie over schoolleiderschap. Tussentijdse blogberichten
geven kritische opinies bij de actualiteit.
Reacties
Een reactie posten