Excellentie of intelligentie

Waarover gaat het?
Er is momenteel nogal wat te doen over een herwaardering van het
arbeidsmarktgericht onderwijs. In verband daarmee ligt nog het
spraakmakende gedicht in het geheugen van leerlingen beroepsonderwijs
onder leiding van stadsdichteres Ruth Lasters (te
lezen in Impuls, 2022, december). Een tijd geleden leverde de
scholierenkoepel een interessant advies daarover en ook in de Commissie
Onderwijs van het parlement komt de idee regelmatig aan bod. Het gaat om
het imago dat een beroepsgerichte vorming minderwaardig wordt geacht
ten overstaan van een algemene studiekeuze. Dat beeld is diep verankerd
in de samenleving en toont zich ook in een onderwijsstructuur waar het
watervalmechanisme voor een groot deel daarop is gebaseerd.
Een belangrijk, nogal verborgen aspect van de perceptie
over het arbeidsmarktgericht onderwijs heeft ook te maken met de grote
waarde die aan het intelligentiebegrip met dito intelligentiequotiënt
wordt gehecht. Daarover gaat het verder in deze bijdrage.
Een concrete aanleiding voor deze reflectie verbind ik aan het boek van de Gentse professor Wouter Duyck,
die een uitvoerig en assertief pleidooi houdt voor het begrip
intelligentie[*]. Het intelligentiebegrip is een constructie die we
kennen vanuit de veel gebruikte uitspraak: intelligentie is wat de test
meet. Er worden keuzes gemaakt bij het kiezen van subtests en
onderfactoren en die tonen een opvallend verband met uitslagen op de
klassieke algemene vakken in het onderwijs. Je zou kunnen stellen dat
intelligentie een constructie is van axioma’s over wat intelligent
gedrag is; in feite letterlijk ‘artificiële intelligentie avant la
date’.
Het troetelkind van de psychologie
Intelligentie is al sinds het ontstaan van de psychologie het
troetelkind ervan geweest. Het gaat om een uitermate boeiende
geschiedenis. In de geleidelijke opvulling van het begrip intelligentie
heeft een hele pleiade van psychologen allerlei visies op intelligentie
ontwikkeld. Het is immers niet vanzelfsprekend wat intelligentie echt
inhoudt. Het is hier niet de plaats om daarop gedetailleerd in te gaan.
Maar voor lezers uit het domein van de psychologie zullen namen als Galton, Binet, Spearman, Stern, Thorndike, Terman, Thurstone, Guilford, Gagné, Vernon, Burt, Sternberg, Dewey en
nog andere wel een lichtje doen branden. Ze kwamen tot diverse factoren
of componenten van gedrag van wat intelligentie moet zijn. En ook de
veelbesproken Howard Gardner leverde
een theorie over acht soorten intelligentie. Merkwaardig is dat dat de
oorspronkelijke pioniers tot heel wat jaren na de tweede wereldoorlog
een goedbedoelde eugenetische koers (los van de excessen van de Nazi’s)
bewandelden. Misschien was het ook geen toeval dat de meeste van deze
pioniers gehecht waren aan een protestantse godsdienstgroep, die sterk
geloofde in de predestinatie van de mens, zeg maar de aangeboren
erfzondige lotsbestemming van de mens na de zondeval.[†] Deze pioniers
(uit de VS en Groot-Brittannië) waren duidelijk beïnvloed door het
calvinisme, of door afscheidingen van het protestantisme zoals de
Pinksterbeweging, de Baptisten, Adventisten, Congregationisten,
Presbyterianen en Hugenoten. Ze geloofden sterk in de overheersende
aanwezigheid van erfelijkheid bij intelligentie.
De spanning ‘nurture-nature’
De eerste generaties van cognitieve psychologen evolueerde van
zeer uitgesproken eugenetische opvattingen naar een opvatting dat
erfelijkheid toch wel zwaar overheerste ten opzichte van
milieu-omstandigheden. Een eindeloze reeks onderzoeken op tweelingen en
diverse gezinssamenstellingen met tweelingen zijn daartoe een rode draad
in heel de geschiedenis van de intelligentiepsychologie. Ze leidden tot
allerlei geclaimde percentages aandeel erfelijkheid tegenover milieu.
De manier waarop men die invloeden mathematiseert is echter de
verklarende variabele. Hoe kan je immers een genetisch of milieueffect
in een cijfer omzetten? Dat gebeurt steeds via aannames en die zijn
uiteindelijk subjectief. De controversen daarover zijn nog steeds
actueel. Een vrij recente voorvechter van de nature-idee (die in het
boek op p.126 wordt vermeld) is v Plomin die in zijn veelbesproken
‘Blueprint’ (2018) spreekt van ‘the start of the DNA revolution’.[‡] Hij
baseert zich op de Genome Wide Association Study (GWAS) waarbij
biologen-genetici plaatsen in het genoom zochten die enige voorspellende
waarde hadden op vooral biologische functies en hun medische
equivalenten. Naar het onderwijsdomein vonden ze ongeveer 1300 plaatsen
(‘sites’) die zwakke correlaties toonden met situaties op school. Als je
die echter combineert tot bepaalde patronen krijg je ‘polygenics’, die
dan een zekere predictieve waarde zouden hebben voor diverse
schoolsituaties. Ook deze auteur kreeg bakken wederwoorden, die zich
situeerden rond wat genoemd werd ‘genetic determinsm’.
Uiteindelijk krijg je in dit oerwoud van onderzoeken een schare
believers tegenover non believers, bakkeleiend over de geclaimde
percentages aandeel van het ene tegenover het andere. Je kan je daarom
de vraag stellen of dergelijke discussies veel zin hebben en a fortiori
voor het interpreteren van schoolprestaties.
Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw kreeg die overheersende
‘nature’ opvatting flinke tegenwind vanuit de relatief jonge wetenschap
van de onderwijssociologie. Die is inmiddels ook volwassen geworden door
milieu-effecten in kaart te brengen en die in verband te brengen met de
schooluitslagen. Deze sociologie gaf een nieuwe dynamiek aan het
spanningsveld van nature tegenover nurture.
Basisstellingen
De auteur verdedigt het concept intelligentie met een bijna
missionaire ijver. Het is ook de kern van zijn gedachtegoed over
onderwijs. Hij verwerpt wel duidelijk de historisch vaak verankerde idee
van intelligentie als een statische, onveranderbare eigenschap. En hij
stelt terecht dat je intelligentie kan verbeteren door goed onderwijs.
Dat onderstelt echter ook dat de sociale en familiale omgeving een rol
speelt in de graad van intelligentie. Een intelligentiequotiënt is dus
steeds een residu van een mix van interacties tussen erfelijke genen en
omgevingsinvloeden. En dan maakt het weinig uit hoe de percentages zijn.
De twee zijn in interactie en veroorzaken verschillen in prestaties.
Die interacties zijn niet alleen individueel verschillend, maar variëren
ook naargelang van allerlei contexten. De stelling van de auteur dat
verschillen in prestaties een feitelijkheid zijn, kan dan ook
onderschreven worden. Er zijn echter wel enkele belangrijke
kanttekeningen te maken bij de populariteit van het
intelligentiequotiënt. Zo is er een belangrijke sociale perceptie over
het al dan niet hebben van een hoog IQ. En dat is precies de aanleiding
voor deze bijdrage.
Psychologische geladenheid
Je kan moeilijk naast de psychologische geladenheid kijken van
het IQ. Door zijn geschiedenis is het begrip beladen met een sterk
normatieve lading. Cognitief hoog presteren op intelligentie wordt
maatschappelijk waardevoller ervaren dan bijvoorbeeld hoog presteren in
de horeca of te excelleren bij het ontwerpen van elektrische
installaties. De grote vraag is of één cijfer de complexiteit van het
denken kan weergeven. Dat geldt dan mutatis mutandis ook voor het Flyn-effect. Het
effect waarbij men stelt dat de intelligentie, gemeten met de
intelligentietests, globaal gezien stijgt in de tijd. Om de tien jaar
zou het IQ toenemen met 3 tot 5 punten. Doordat mensen meer toegang
hebben tot kennis en activiteiten, niet alleen via de school, wijzigt
uiteraard ook de score op de intelligentietests. Als je het IQ als
maatstaf wil behouden, moet je dan je testitems opnieuw masseren, zodat
ze opnieuw de vertrouwde normaalindeling met een gemiddelde van 100 en
bijvoorbeeld een standaarddeviatie van 15 weergeven.
Door zijn eenvoud en het onderliggende meetbaarheidsparadigma ten
opzichte van menselijk gedrag krijgt het IQ een maatschappelijke
legitimering van status tegenover minder status. In dat verband kan je
uit het voorbeeld in het boek van de protesterende dichteres Lasters
over de lagere status van leerlingen in het beroepsonderwijs toch wel
iets afleiden.
De auteur betreurt bij zijn analyse van de parlementaire
bezigheden dat het begrip intelligentie er niet goed uitkomt. Dat
bevestigt die beladenheid (p.110). Presteren op een intelligentietest
wordt een maat voor gewaardeerd worden in de samenleving. De maat van
een in één cijfer vastgelegde intelligentie is op die manier niet
constructief en draagt ertoe bij een nieuw statusverschil te bevorderen:
de hoog intelligenten tegenover de minder fortuinlijke scoorders. Als
uitgangspunt stelt de auteur dat cognitieve ontwikkeling veel
individuele en maatschappelijke welvaart creëert: “Het is net
onderwijs gericht op cognitieve ontwikkeling en wetenschap die
economische welvaart en productiviteit genereerde (p.106).”
Het is binnen het bestek van deze bijdrage niet de plaats om ook
de niet-cognitieve, motivationele en waardegerichte factoren uitvoerig
te vermelden die al dan niet welvaart, welzijn en geluk bevorderen (of
tegengaan) en die voortdurend interageren met de cognitieve gedragingen.
De beweringen dat slimme mensen gemakkelijker rijk worden, kan je
nog ergens snappen. Die mensen zijn wellicht sterk in het inschatten van
marktmechanismen en wellicht hebben ze ook een soort sociaal gedrag om
hun waar te verkopen (niet cognitief). Maar als je voetstoots aanneemt
dat intelligente mensen minder conflicten hebben, minder crimineel
gedrag vertonen en ook gelukkiger zijn, bots je flagrant met de complexe
realiteit. Overigens wat is crimineel gedrag? Intelligente mensen
zullen wel geen handtassen stelen. Maar ze kunnen wel bedrijven hacken
of Epstein capriolen
organiseren. En dan ‘geluk’. In hoeverre gaat het inkomen en de daaraan
gerelateerde intelligentie samen met geluk? Waar ligt een grens van
inkomen waarbij het surplus er nauwelijks toe doet om gelukkig te
worden? Hebben intelligente mensen minder conflicten? Kijk dan maar eens
hoe slimme mensen elkaar het leven zuur kunnen maken (bijvoorbeeld in
de politiek en zelfs bij academici onderling). Kortom: al deze
correlaties verschillen naargelang van de context. Gemiddeldes helpen je
daarin geen stap vooruit. Net zoals mensen sterk verschillen in
prestaties, verschillen ook, even sterk, de situaties waarin mensen zich
gedragen.
Denkend over IQ’s is het ook goed te vermelden dat cognitieve
bollebozen niet zomaar een maatschappij kunnen dragen. Ze zullen een
beroep moeten doen op een massa subscoorders om hoge cognitieve
inzichten te realiseren in producten en goederen. Als vuilnisophalers
een maand zouden staken, zie je meteen de economische schade. Het
‘gemeten’ IQ van deze mensen zal wellicht relatief laag liggen; maar dat
betekent dus niet dat ze minder belangrijk zijn of hun werk niet
excellent uitvoeren. En dan zwijgen we nog over het handvol
hooggeschoolde havenloodsen of verkeersleiders, die door een staking een
hele economie kunnen platleggen.
Je botst hier ook op een al te individualistische invulling van
intelligentie die in feite niet meer strookt met de eis van een
collectieve slimheid om complexe problemen op te lissen. Onze tijd
vraagt een ander concept van intelligentie, een collectieve intelligentie die
ontstaat door de diversiteit in bekwaamheden en denkgedrag te
valoriseren. Er zijn vele vormen van slimheid, zowel bij denkers als bij
doeners. Die diverse vormen van slimheid in verschillende aard en
niveaus moeten in elkaar geweven worden om complexe problemen in de
samenleving de baas te kunnen. En dan kunnen we wellicht beter spreken
van excellentie in plaats van intelligentie.
Excellentie of intelligentie?
Je kan dus redeneren vanuit de verschillen in prestaties op
allerlei mogelijke domeinen. En uiteraard zal daar dezelfde spreiding
opduiken als bij de metingen van de klassieke, vertrouwde intelligentie.
Je hoeft je dan geen zorgen te maken over welke intellectuele factoren
daarachter zitten. Je mag alle theorieën over wat intelligentie is op
pauze zetten en gewoon kijken naar de prestaties. Het is in die zin dat
de Amerikaanse psycholoog D. Mc Clelland al
in de jaren zeventig een pleidooi hield voor het begrip
‘competentie’.[§] In de originele betekenis (achteraf werd dit begrip
een hangmap voor allerlei invullingen) werd het als volgt ingevuld. Met
een competentie neem je afstand van het papieren werk van wat de
intelligentietests als selectiecriterium meten. In plaats daarvan kijk
je naar de werkvloer. Je observeert daar welke activiteiten gelden als
hoge prestaties en die kan je dan analyseren in diverse mogelijke
stappen. Meer nog, naast de geobserveerde en waarneembare prestaties
bevatten competenties ook een meer onzichtbare interne dimensie. Die
gaat dan over motivatie, engagement, zelfconcept en bepaalde
persoonlijkheidstrekken.
Overgeplaatst naar het onderwijs zie je dat leerlingen zwak, sterk
of heel sterk zijn in een bepaald domein of vak. Je kijkt dan naar het
curriculum dat vooropgesteld wordt en probeert de zwakke leerlingen over
de grens van het minimum te krijgen. En de sterke leerlingen geef je
uiteraard ook voldoende voedsel om nog sterker te worden.
Er zijn al heel wat psychologen die het klassieke IQ erg
relativeren en in plaats van één IQ in één getal, op zoek gaan naar
componenten van het cognitief gedrag, die meer dekkend zijn dan de vele
theorieën over het begrip intelligentie. Zo is er bijvoorbeeld het CHC
model van Flanagan en Mc Grew (1997), gebaseerd op het werk van pioniers als Cattell, Horn en Carroll (CHC).[**]
Het is werk dat onder meer gebeurt binnen de universiteit van Leuven.
In plaats van op een cijfer te mikken, zoeken de onderzoekers naar een
profiel van intelligentie met een aantal samenstellende cognitieve
vaardigheden. Een profiel dus, zoveel mogelijk op maat van de leerling.
Een tiental brede cognitieve vaardigheden worden in dit project
onderscheiden zoals vloeiende intelligentie, kwantitatieve kennis,
gekristalliseerde kennis, vaardigheden voor lezen en schrijven,
geheugenspan enzovoort. Binnen die deelvaardigheden kunnen dan weer
‘nauwere’ cognitieve vaardigheden worden ontdekt, zodat je een
behoorlijk vertakt profiel van de intelligentiestructuur van een persoon
kan samenstellen. Het heeft dan ook geen zin meer om daar nog één
cijfer op te plakken.
Nog verder gaat het multifactorenmodel van Heller. Het geeft een
goede basis om over excellentie te spreken in de brede zin van het
woord. Ziegler en Heller onderscheiden
zeven begaafdheidsfactoren, die los van elkaar kunnen worden
onderscheiden. Die begaafdheden kunnen worden toegepast op acht
prestatiedomeinen. En daarnaast zijn er de niet-cognitieve
persoonlijkheidsfactoren die tot een bepaalde graad van presteren
leiden: stressgevoeligheid, prestatiemotivatie, regulatievaardigheden
(executieve functies) en zelfvertrouwen/faalangst. [††] Ook dat model,
dat in zijn geheel te uitgebreid is om hier concreet weer te geven, is
voorwerp van controversen, maar het maakt wel duidelijk hoe reducerend
het bestaande IQ werkt en hoe je op vele diverse gebieden kan
excelleren.
Daarom heeft het onderwijs het intelligentiequotiënt eigenlijk
niet nodig. Het maakt mij als leraar niet uit of ik nu met een g-factor
bezig ben of met bijvoorbeeld één van de 120 intellectuele velden die de
psycholoog Guilford ooit
onderkende. De prestaties zijn volkomen duidelijk zonder
intelligentiequotiënten. De voorspellende waarde van de schooluitslagen
voor de prestaties in de verdere schoolloopbaan bevestigt dat de
schooluitslagen zelf wel aanduiden in welke mate je sterk of zwak bent
in een bepaalde materie. Zie hiervoor de hoge correlatie tussen
slaagcijfers aan de universiteit bij kandidaten die slaagden in
voorbereidende opgelegde proeven. Die betere voorspellende waarde van
schooluitslagen tegenover die van een IQ is al in de jaren zeventig en
tachtig van de vorige eeuw uitvoerig gedocumenteerd door de grote
onderwijspsycholoog Benjamin Bloom.
Bij het uitwerken van de strategie van mastery learning
(beheersingsleren) met heel zijn onderzoeksgroep van de Chicago
universiteit kwam hij tot volgende conclusie:
“The point being made is that IQ measurement add little to
prior achievement measures (which include cognitive entry behaviors) in
accounting for subsequent achievement in mathematics and reading
(p.54).[‡‡]
Alle wetenschappelijke studies die correlaties aantonen tussen
intelligentie enerzijds en geluk, gezondheid, criminaliteit en
dergelijke (zoals gesteld variërend naargelang diverse contexten) kan je
even goed vervangen door hoge prestaties op bepaalde vakken als
meetvariabele te gebruiken. Misschien kan het begrip intelligentie wel
zinvol zijn voor selectiedoelen in het bedrijfsleven of eventueel andere
domeinen; maar voor het onderwijs hebben we het eigenlijk niet nodig.
De uitslagen op de overhoringen, examens en toetsen zeggen mij duidelijk
waar er signalen zijn om bij te werken of te verdiepen. Het doet er dan
niet toe of iemand een bepaald IQ heeft.
Je kan dan ook spreken over excellentie in wiskunde, muziek,
metselen, verpleging, lassen, Latijn en noem verder maar op. Excellentie
is dan hoog presteren in een bepaald domein en is niet exclusief
verbonden aan een IQ.
En dan is er nog iets: de affectieve dimensie van prestaties
Het begrip intelligentie beperkt zich tot het cognitieve domein
van de persoonlijkheid. Het dekt niet het affectieve (en motorische)
domein. Het onderscheid dat de taxonomieën van Bloom en Krathwohl
maakten tussen het cognitieve en het affectieve domein van de
persoonlijkheid blijft nog steeds overeind. Maar tegelijkertijd geldt
dat cognitieve en affectieve gedragingen in voortdurende wisselwerking
met elkaar staan.
Als je cognitie in verband brengt met affectief gedrag, kom je in
een andere categorie van leerprocessen terecht. Affectieve gedragingen
zoals motivatie, inzet, attitudes, waardering en dergelijke hebben eigen
leercircuits die je niet zomaar met cognitieve leerprocessen kan
vergelijken. Bijvoorbeeld, als je helemaal thuis bent in de studietips
om te studeren wil dat nog niet zeggen dat je ze ook gaat toepassen. Als
je in je examen voor het rijbewijs slaagt, betekent dat nog niet dat je
het verkeersreglement toepast. En je kan nog zoveel lessen over
democratie geven via directe instructie, dat verklaart niet dat zoveel
leerlingen sympathiseren met extreme partijen. Je speelt dan in de
categorie van affectieve leerprocessen en affectieve didactiek. Dan
komen bijvoorbeeld de sociale psychologie en de motivatiepsychologie om
de hoek kijken. En in een aantal gevallen van weerstand tegen cognitief
leren, moet je een beroep doen op de klinische psychologie. En
natuurlijk is het in onze contreien ook de bedoeling om niet alleen
cognitief te werken maar ook te vertrekken van pedagogische doelen en
van pedagogische projecten die breder aan persoonlijkheidsvorming werken
en ook bepaalde waarden en attitudes beogen.
Zoals Krathwohl cs
het in de affectieve taxonomie uitdrukken: zet twee ladders naast
elkaar: de cognitieve en de affectieve. De sporten zijn zodanig geschikt
dat je voortdurend van een trede van de ene naar de andere ladder moet
overstappen om boven te geraken. Je leert gemotiveerd zijn voor een vak
op een andere wijze dan dat je een vergelijking van de tweede graad kan
oplossen. Dat soort leerprocessen vind je niet of nauwelijks terug bij
cognitieve psychologen. Het niet betrekken van affectieve leerprocessen
bij de cognitieve vorming houdt het risico in te evolueren naar een
soort ethisch intellectualisme. Of zoals Victor Hugo het ooit meende: “Open een school en sluit een gevangenis”.
Een interessant studiegebied is er ook rond het
intelligentiequotiënt en de mate van doelgerichte besluitvorming. Dat
verband is helemaal niet vanzelfsprekend. Hoog intelligente mensen zijn
niet per definitie goede besluitvormers.
Bepaalde cognitieve psychologen overschatten dus de impact van
kennis en cognitieve deskundigheid op het affectieve en karakteriële
vlak. In het psychologisch jargon spreekt men dan van ‘emotional skills’
of ‘soft skills’. En dan spreek ik nog niet over de zogenaamde
‘executieve functies’. Daar is de psychologie absoluut echter nog niet
mee in het reine. De grote waslijst aan onderzoekingen rond de
zogenaamde ‘big five’ maken je op dat vlak niet veel wijzer.[§§] Ook
daar speelt het interactieve karakter van affectieve en cognitieve
gedragingen een rol. In de dagelijkse klaspraktijk zit je steeds met die
vaak onverwachte en moeilijk te onderscheiden wisselwerkingen tussen
cognitief en affectief gedrag. En een bepaalde attitude leer je niet
door ze via directe instructie uit te leggen. Iedere leraar zou graag
hebben dat jongeren geïnteresseerd zijn voor zijn vak. Maar dat is in de
praktijk allesbehalve zo. En dan moet je zoeken naar aanpakken om die
interesse op te bouwen. En die hebben vaak te maken met relaties, met
groepsdynamische processen in de klas, met de persoonlijkheid van de
leraar, het opvoedingsproject van een school en uiteraard hoe men er
thuis over denkt (of niet denkt).
Om af te ronden
Uiteraard gaat het in het onderwijs vaak om resultaten die vaak
cognitief van aard zijn. Maar die cognitieve resultaten interageren
voortdurend met affectieve en motivationele gedragingen. Leerlingen
dragen een hele rugzak affectief gedrag mee en dat zal je als leraar
geweten hebben bij het nastreven van cognitieve doelen. Motivatie, of
die nu extrinsiek of intrinsiek is, is vaak gebonden aan affectieve
factoren van de persoonlijkheid van de leraar, de groepsdynamica in een
klas, het schoolklimaat of ervaringen van lukken of mislukken. En
uiteraard moet je in die rugzak ook de relevante factoren vanuit het
thuismilieu incalculeren. Die rugzak wordt groter naargelang de afstand
tussen schoolmilieu en thuismilieu groter wordt. Een contextgerelateerde
didactische en pedagogische aanpak is perfect mogelijk zonder
intelligentiequotiënten. Het komt erop neer de in het curriculum
gevraagde doelen of eindtermen te observeren, in te oefenen, te
monitoren, te toetsen en te examineren. En dan zal je ook de spreiding
vinden die geldt voor alle gedragingen van de mensen. En zo kan je voor
elk domein en dus uiteraard voor alle mogelijke vakbekwaamheden ook
excelleren.
Roger Standaert
Lees IMPULS – Onderwijstijdschrift voor leidinggevenden
Je onderwijsteam enthousiasmeren en engageren is cruciaal. Impuls helpt daarbij. Het biedt als enige onafhankelijk tijdschrift ter zake een waardevolle ondersteuning aan schoolleiders. Impuls publiceert vier keer per jaar artikelen, interviews, recensies en achtergrondinformatie over schoolleiderschap. Tussentijdse blogberichten geven kritische opinies bij de actualiteit.
Abonneren op het tijdschrift IMPULS:
https://gompel-svacina.eu/product/impuls-abo/
[*] Duyck, W. (2023). Mijn kind, slim kind. Waarom lezen en tellen de wereld zullen veranderen. Kalmthout: Pelckmans, 370 blz.
[†] White, J. (2006). Intelligence, destiny and education. The ideological roots of intelligence testing. London: Routledge.
[‡] Plomin, R. (2018). Blueprint. How DNA makes us who we are. Cambridge Ms: MIT Press.
[§] Mc Clelland, D. (1973). Testing for ‘competence’ rather than for ‘intelligence’. The American Psychologist. (28), n°1, 1 – 14.
[**]Rauws, G. e.a. (2014). Van IQ tot cognitief vaardigheidsprofiel: een introductie in het CHC Model. Impuls,4 (44), 185-195.
[††] Ziegler, A. & Heller, K.A.(2000). Conceptions of
giftedness from a meta-theoretical perspective. – In: Heller, K.A. e.a.
(2000). International Handbook of giftedness and talent (3-21). Oxford: Elsevier Science.
[‡‡] Bloom, B. (1984, voordien1976). Human characteristics and school learning.New York: Mc GrawHill.
[§§] In het Engels: Emotional stability, Conscientiousness,
Openness, Extraversion, Agreeableness. Zie hiervoor: Scheerens, J., van
der Werf, Greetje & de Boer, Hester (2020). Soft skills in education. Putting the evidence in perspective. Cham: Springer, 239 blz.
Reacties
Een reactie posten