Een opus magnum over het onderwijsbeleid in Engeland
Blog januari 2024, door Roger Standaert
Het is niet vanzelfsprekend vakliteratuur over buitenlandse
onderwijssystemen te lezen. Meestal heb je daar een degelijke
achtergrondkennis van het betreffende land voor nodig. In deze blog gaat
het om een uitzondering. Het betreft een uiterst waardevol en grondig
overzichtswerk over het onderwijsbeleid in Engeland tijdens de laatste
decennia.
Toelichting bij:
Brighouse, Tim & Waters, Mick (2021). About our schools.
Improving on previous best. Williston VT: Crown House Publishing, 641
blz.
Waarover gaat het?
Het is niet vanzelfsprekend vakliteratuur over buitenlandse
onderwijssystemen te lezen. Meestal heb je daar een degelijke
achtergrondkennis van het betreffende land voor nodig. In deze blog gaat
het om een uitzondering. Het betreft een uiterst waardevol en grondig
overzichtswerk over het onderwijsbeleid in Engeland tijdens de laatste
decennia.
Het gaat om een Opus Magnum van twee “éminences grises” in het
onderwijsbeleid in Engeland. Ze schetsen 45 jaar geschiedenis van dat
onderwijs, waarbij ze heel wat verantwoordelijken hebben geïnterviewd,
inbegrepen de 13 onderwijsministers uit die periode. Het boek werd in
vele kringen enthousiast onthaald. In recensies klonk het als ‘an epic
educational journey’of als een ‘masterpiece’. De bekende
onderwijskundige John Hattie formuleerde het zo:
“It shows the silencing of the profession and the cacophony
of experts, the motives, hopes and honesty from many of the key
political players, documents a cocktail of unfairness, and is the most
exciting and exacting book I have read in a long time”.
Ook zonder grondige kennis van het onderwijssysteem is dit boek
voor een buitenstaanbaar leesbaar. Je hoeft niet de details van de
maatregelen te kennen om de gedachtegang van de auteurs te volgen.
[1]Het gaat om zeer ervaren beleidsmensen die alle lagen van het
onderwijsberoep hebben doorlopen en er in slagen hun boodschap in
verstaanbare taal uit te drukken. De verhalen en toelichtingen zijn erg
inspirerend om na te denken over ons eigen onderwijssysteem.
Brighouse, Tim & Waters, Mick (2021). About our
schools. Improving on previous best. Williston VT: Crown House
Publishing, 641 blz.
[1] Wie de structuur van het onderwijs in Engeland iets
concreter wil kennen, kan zich baseren op het eerste hoofdstuk uit mijn
boek ‘De becijferde school’ uit 2015, blz 13-30. Ik heb de
beschrijving vervolledigd tot 2023. Je vindt de tekst op deze link bij uitgeverij Gompel&Svacina.
Situering
Het boek handelt over allerlei aspecten uit het onderwijs in
Engeland zoals het curriculum, de toetsing, de toegang tot het
onderwijs, de afrekencultuur, de impact van de ouders, de sociale kloof,
de lerarenopleiding, de macht van de vakbonden enzovoort. Het door
Hattie gebruikte woord ‘cacophony’ maakt ook duidelijk dat deze
geschiedenis zeer chaotisch is verlopen, met talloze ingrepen vanuit de
politiek, vaak vanuit de waan van de dag of vanuit de persoonlijke
interesses van een minister. Het is zeker geen ode aan ‘het primaat van
de politiek. Maar ook zonder kennis van het Engelse onderwijs zijn er
bepaalde rode draden zeer goed herkenbaar, zoals de strijd om het
curriculum, de afrekencultuur en de tweespalt tussen lokale besturen en
overheid. Door citaten uit de talrijke interviews worden de behandelde
thema’s vaak zeer goed geïllustreerd. Een overkoepelende rode draad is
het spanningsveld tussen regionale besturen en de overheid. Vanuit die
lijn vertrekken allerlei andere maatregelen en structuren.
De start van deze historische reis is het jaar 1976, waarin de
toenmalige eerste minister Callaghan (Labour) een historische rede
uitsprak, de zogenaamde Ruskin Speech, gehouden in het Ruskin College
van Oxford. Daarin werd een optimistische kijk op de toekomst van het
onderwijs geschetst, gebaseerd op het vertrouwen in de toenmalige
spelers in het onderwijs. Dat waren in hoofdzaak de regionaal
georganiseerde Local Education Authorities (LEA’s) en de vakbonden, die
in feite lokaal het beheer van het leerplichtonderwijs en het
beroepsonderwijs in handen hadden (op dit ogenblik zijn er nog ongeveer
135 LEA’s). Die LEA’s zijn verkozen raden, die afhankelijk van de
verkiezingsuitslagen meerderheden van de Conservatives of Labour
opleveren. Later, tijdens de jaren 2000 kwamen daar ook de
Liberal-Democrats bij.
Dat optimisme is niet waarheid geworden, zo blijkt uit de
geschetste geschiedenis. Er is een evolutie te herkennen waarbij
gaandeweg de macht van de LEA’s werd afgezwakt ten voordele van centraal
beleid via opeenvolgende regeringen van zowel Conservatives als Labour.
De nadruk op regionale eigenheid leidde tot verschillen in
aanpak in heel Engeland. De politieke partijen begonnen na 1976 centraal
toe te zien hoe hun vertegenwoordigers op het lokale niveau een soort
visie ontwikkelden, die al dan niet paste bij de visie van zowel de
Conservatives als Labour. Nadat bleek dat de LEA’s in de steden
voornamelijk succes boekten bij Labour en dat daardoor andere klemtonen
werden gelegd dan diegene die traditioneel gangbaar waren, gingen de
Conservatives steeds meer weerstand bieden tegen het regionaal beleid.
Dat is de ondertoon van heel het boek. Geleidelijk zie je hoe de
macht van de LEA’s stap voor stap uitgehold wordt via Conservatieve
ministers, die vanaf 1979 meer periodes de macht hadden dan Labour. In
feite gaat het om een geschiedenis die de auteurs als volgt verwoorden:
“In the 1970-ies we transitioned from optimism and trust to markets, centralisation and managerialism” (p.5).
Dit is meteen de beste samenvatting van het boek. Hoe kan een
onderwijssysteem op 45 jaar zo sterk evolueren naar een bevreemdend en
weinig leerlinggericht systeem? Een systeem dat steeds meer
centraliseert, steeds meer concurrentie aanmoedigt en steeds meer
bedrijfskundige organisatievormen doorvoert. De auteurs betreuren dat,
maar geven uiteindelijk sporen aan om een totaal nieuwe weg in te slaan
waarbij niet concurrentie, maar coöperatie de nadruk krijgt. Daarbij
vertrekken ze niet met een leeg blad, maar doen ze voorstellen om de
goede dingen uit het verleden (‘the previous best’ uit de ondertitel) in
te passen in een leerlinggerichte en collaboratieve cultuur cq
structuur.
Wording van een centraliserende afrekencultuur
Het boek
is gecentreerd rond de dertien ministers van onderwijs tijdens die 45
jaar, waarbij vooral opvalt hoe het toeval meespeelde bij het aanduiden
van onderwijsministers. Onderwijs was niet de meest geambieerde
ministerpost en er was relatief weinig politieke interesse voor.
Daardoor konden bepaalde sterke ministers een zeer ingrijpend beleid
voeren, terwijl de meeste andere er volgens de auteurs nauwelijks toe
deden. Het beleid werd lange tijd immers erg regionaal gevoerd en
bovendien werd het sterk meegestuurd door machtige vakbonden. Die post
gaf een minister weinig speling en was dus lange tijd in een regering
een soort afdankertje voor ofwel een beginneling ofwel een fin- de-
carrière politicus. Enkele van die ministers, in het bijzonder Kenneth
Baker (1986-1989) en later Michael Gove (2010-2014) stapten buiten die
gegevenheid en slaagden erin het onderwijsbeleid in ingrijpende centrale
contouren vast te leggen. De andere ministers (in dit geval die met een
Conservatives achtergrond) hoefden slechts kleinere stappen te zetten
binnen de door Baker en Gove gestelde lijnen. De tussenliggende
Labourministers konden die tendensen niet meer echt terug verleggen, ten
minste als ze dat al beoogden. De centraliserende lijn was ook
gekoppeld (naar Amerikaans voorbeeld) aan een competitieve visie van
marktwerking, met name het vergelijken van scholen op de gepercipieerde
kwaliteit via externe toetsen. Zodoende werd de marktwerking gaandeweg
steeds verder versterkt door een steeds toenemend regime van centrale
toetsen. Via rankings konden ouders duidelijk zien hoe een school
presteerde. Tegelijkertijd werd het curriculum zodanig verengd dat het
in feite de toetsen werden die het curriculum bepaalden. De centrale
toetsen waren immers belissend voor het toekennen van diploma’s en
getuigschriften. Daarom werden ook de LEA’s afgerekend op het aantal
geslaagde en gediplomeerde leerlingen via die centrale toetsen. Het
inspectiekorps van Her Majesty’s Inspectorate (HMI) dat zich al vele
decennia onafhankelijk had opgesteld en verantwoording was verschuldigd
aan ‘Her Majesty’ werd in 1992 fundamenteel omgevormd. Het werd een
privéorganisatie: Office for Standards in Education (OFSTED) met
verantwoordingsplicht aan de minister. De benaming ‘Office for
Standards’ was ook niet toevallig. De inspectie werd een onderdeel van
een toetsgericht verantwoordingssysteem. Merkwaardig was dat de
Labourregeringen van Blair en Brown sinds 1997 tot 2010 mee zongen in
het toetsenkoor en de centralisering. De redenering vanuit deze
linkerhoek was dat je via toetsen kon zien waar de scholen in gebreke
bleven bij het aanpakken van leerlingen met lage SES. Op die manier was
Blair met zijn minister Blunkett een fervente voorstander van nog meer
toetsen, zodat in 2003 bleek, althans volgens het gezagvolle Times Education Supplement, dat
Engeland het meest ‘betoetste’ land ter wereld was. In haar memoires
schreef Thatcher dat zij zelf nooit zo ver had willen gaan. Haar
minister Baker was volgens haar te ver doorgeschoten in het
centraliseren.
Berucht zijn de Literacy and Numeracy strategie van Blunkett
voor het lager onderwijs vanaf 1998, waarbij benchmarks werden opgelegd
voor rekenen en taal via de opgelegde toetsen. Daartoe werden massaal
handleidingen gepubliceerd, die in feite uitgeschreven lessen (‘scripted
lessons’) waren om de leerlingen op die toetsen voor te bereiden. Het
was een ‘shoolvoorbeeld’ van teaching-to-the tests. De normen werden dan
ook, alhans in het begin, gehaald. De kritiek daarop groeide echter
omdat het gemeten curriculum veel te mager was (bijvoorbeeld geen
mondelinge communicatie) en omdat de overige vakken die niet gemeten
werden, systematisch werden verwaarloosd. Het animo voor de strategie
verslapte, maar de volgende Labourregeringen (tot 2010) hielden via een
pleiade van toetsen en een versterkt inspectieregime een strak
verantwoordingsbeleid aan, zij het niet meer met de literacy en numeracy
strategie. Het is opmerkelijk dt de Labourregeringen het door de
Conservatives uitgewerkt systeem van het afrekenen van scholen, niet
alleen steunden, maar ook versterkten.
Choice en managerialism
Een nieuwe mijlpaal in deze geschiedenis was het aantreden van
de Conservatives in 2010, zij het in coalitie met de Liberal-Democrats.
Die regering wilde de genadestoot geven aan de macht van de LEA’s. door
een programma op te zetten voor de zogenaamde ‘academies’. Anekdotisch
hiervoor verbood de onverzettelijke minister Gove de inspectie om nog
de LEA’s te inspecteren. Hij stelde het aldus:
“Well, all you are doing is giving them support and succour and putting fat into the arteries of a dead institution”(p. 551).
Het concept van de academy was gebaseerd op de Amerikaanse
charterscholen. Die scholen konden nu via privépersonen of organisaties
worden opgericht zonder binnen een LEA te moeten werken. Ze worden
rechtstreeks gesubsidieerd vanuit het ministerie en zijn alleen
verantwoording verschuldigd aan de minister en zijn diensten. In de
eerste jaren van deze regeling was er aarzeling bij scholen om afscheid
te nemen van de LEA’s. De coalitiepartner, de lib-democrats, duwde nog
wat op de rem. Maar in 2015 wonnen de Conservatives de verkiezingen met
een eigen meerderheid en daardoor werd het academy programma een
prioriteit. Het omvormen van scholen tot een academie, los van de LEA’s
werd door allerlei voordelen aangemoedigd. Onder meer door het
stimuleren van zogenaamde Multi Academic Trusts (MAT’s). Privé personen
en organisaties werden aangemoedigd dergelijke trusts op te zetten,
waarbij zelfs de mogelijkheid werd geboden om dergelijke trusts als
commerciële onderneming met winstoogmerken op te richten. Deze trusts
konden op eigen wijze worden georganiseerd met een knipoog naar het
bedrijfsleven. Een participatieregeling voor ouders en leraren werd
bijvoorbeeld niet meer vereist of ze kon eender welke vorm aannemen.
CEO’s van deze MAT’s konden hun ‘entrepreneurship’ naar believen laten
gelden. Het is deze groeiende tendens, die de auteurs het
‘managerialism’ in het onderwijs noemen.
Na de beloften van heel wat lekkers kwam er een groei in scholen
die naar een academie overschakelden. In principe kon één school ook
één academy (‘stand-alone academy’) vormen, maar het toetreden tot een
groepering, een trust dus, werd aangemoedigd. Het werden ook allerlei
variaties van groepen scholen, gaande van religieuze inrichters tot
commerciële firma’s. Maar het bleek uiteindelijk toch niet allemaal zo
aantrekkelijk.
De MAT’s werden toen ingedeeld in en toegewezen aan zeven
regio’s (in 2021 uitgebreid tot elf) die beheerd werden door een soort
mini-mimister: een Regional Commissioner. Die beschikt over een
administratie van dozijnen ambtenaren. Die worden de plaatselijke
vertegenwoordigers en toezichters van de centrale minister. En zo komt
er in de plaats van een LEA nu een lokale ministerële overheid met
bepaalde centrale bevoegdheden. Het centralisme wordt in feite versterkt
door de administratie kort bij de bal te zetten. Verder kwamen her en
der berichten van een tot op de top gedreven ‘managerialism’, dat
bijvoorbeeld te vinden was in extreme verloningen van de ‘managers’(die
nu CEO’s heten) en in minder interessante werkvoorwaarden voor leraren.
De bestaande LEA’s hebben op deze MAT’s slechts een bescheiden impact.
De MAT’s moeten alleen rekening houden met de regionale regelingen voor
jeugdhulp en kinderzorg en met regelingen van inschrijvingen. Bovendien
werden de MAT’s hoofdzakelijk afgerekend op de resultaten van de
centrale toetsen, terwijl heel wat LEA’s ook allerlei voorzieningen
inbouwden voor bredere vorming. Meteen werd ook duidelijk dat de
prestatiedruk bij leerlingen en leraren in dergelijke scholen sterker
aanwezig is dan in de LEA-scholen, die per definitie meer aansluiten bij
regionale tradities en gemeenschappen. Gezien de prestatiedruk op de
MAT’s ontstonden er in die scholen impliciete en expliciete
selectiesystemen bij het inschrijven van leerlingen. Volgens de auteurs
waren er in 2021 9608 scholen omgevormd tot Academy of MAT. Vrijwel 79 %
van de secundaire scholen zijn inmiddels een Academy of Free School
(een bijzondere vorm van academy ingericht door ouders) of zitten in een
MAT. Slechts 38 % van de lagere scholen hebben echter toegehapt (p.
150). Samen is dat iets onder de helft van het totaal aantal scholen. Na
een nieuwe overwinning van de Conservatives in 2018 viel het tempo van
toetreden sterk terug. De beloofde nieuwe vrijheid bleek een utopie te
zijn. David Bell, die secretaris-generaal (topambtenaar van het
ministerie) was tijdens de legislatuur van Gove, formuleerde het op deze
wijze bij zijn interview:
“De ironie is dat vele scholen als academy nu minder
autonomie en vrijheid hebben dan voorheen. De controle die door sommige
CEO’s van MAT’s wordt uitgeoefend grenst aan het draconische” (p.
152-vertaling RS).
De auteurs van dit boek klagen deze evolutie aan. De tweedracht
in het Engelse systeem met LEA-scholen enerzijds en MATs anderzijds
werkt contraproductief door een steeds verder gaande concurrentie tussen
de twee inrichters. Terwijl die concurentie al zeer heftig is door de
overvloed aan centrale toetsen met het civiel effect van die toetsen en
de daaraan gekoppelde rankings.
Een nieuwe tijd van coöperatie
De auteurs pleiten voor een totaal nieuw concept van groepering
van scholen waarbij zowel MAT’s als LEA’s in nieuwe partnerschappen
worden ondergebracht. Alle scholen zouden zich kunnen groeperen in
scholengroepen met afzonderlijke schoolbesturen. Die kunnen zich lokaal
verankeren of ook Engeland-breed. Ze stellen echter dat die groepen niet
te groot mogen worden om bureaucratie en managerialisme te vermijden.
Leraren en directies moeten met elkaar vruchtbaar kunnen samenwerken in
dergelijke overzichtelijke scholengroepen, bijvoorbeeld met gemiddeld
dertig scholen (lagere en secundaire scholen samen). Als je boven dit
aantal gaat worden schoolbesturen onproductief door een te grote
afstand van de concrete scholen.
Thematische indeling
De diverse hoofdstukken convergeren alle naar een nieuwe periode vanuit het volgende adagium: “
In de plaats (van het huidige beleid) moeten we bereid zijn een nieuw
onderwijstijdperk te creëren, een tijd van hoop, ambitie en
samenwerkingsverbanden” (p. 34-vertaling RS).
De auteurs besteden onder deze vlag aandacht aan heel diverse
onderwerpen: de strijd om het curriculum, de afrekencultuur, de wil om
iets aan de ongelijkheid te doen, de lerarenopleiding, de inspectie en
de vakbonden. De gedetailleerde uitwerking van al deze onderwerpen in
diverse hoofdstukken, toont duidelijk het wisselvallige dag-aan-dag
beleid aan. Het gaat vaak om elkaar opvolgende vaak wisselende en eerder
toevallige persoonsgerichte ingrepen. Bij bepaalde ministers is een
duidelijke profileringsdrang aanwezig, met een niet altijd te
rechtvaardigen activisme. Het chaotisch karakter van deze geschiedenis
is overduidelijk beschreven. Wie niet vertrouwd is met het Engelse
onderwijs zal zich vaak tevreden moeten stellen met goed gekozen citaten
uit de interviews en de persoonlijke intermezzo’s uit de eigen
vruchtbare praktijk van de twee ‘heavy weights’. Voor wie meer wil
toespitsen op een bepaalde thematiek kan de volgende leeswijzer nuttig
zijn. Een goed idee over wat de visie van de auteurs is, geeft hoofdstuk
één. Het tweede hoofdstuk schetst een nogal ontluisterend beeld van de
politici die in die 45 jaar aan bod kwamen.
Het is verder ondoenbaar de erg gedetailleerde beschrijvingen
van de diverse thema’s samen te vatten. Het is een behoorlijk intense
oefening. Maar thematisch is het best doenbaar om er wat van op te
steken voor het beleid in eigen land. De hoofdstukken zijn, na het
eerste hoofdstuk en de drie volgende hoofdstukken met het
spanningsveld LEA-overheid en achtergronden toch wel redelijk
afzonderlijk leesbaar. Opgesomd:
- hoofdstuk 5: het toetsenverhaal
- hoofdstuk 6: leraren en lerarenopleiding
- hoofdstuk 7: schoolleiders en schoolklimaat
- hoofdstuk 8: inschrijvingsbeleid en wegzenden van leerlingen
- hoofdstuk 9: buitengewoon (speciaal) onderwijs
- hoofdstuk 10: ouderbetrokkenheid en gelijkekansenbeleid
- hoofdstuk 11: inspectie en accountability
- hoofdstuk 12: financiering en schoolbesturen.
Het dertiende en laatste hoofdstuk doet een aantal voorstellen,
gecentreerd rond zes principes. Die monden uit in niet minder dan 39
concrete stappen.
Het is mogelijk de lezing
te beginnen met het dertiende hoofdstuk. Je hebt dan toch wel een
goede ‘advance organizer’ om eventueel bepaalde hoofdstukken aan een
nader onderzoek te onderwerpen.
De voorstellen houden rekening met het verleden, vandaar de
ondertitel ‘the previous best’. Het zijn dan ook vaak stappen in een
bepaalde ideale richting; zo iets als het principe van de zone van de
naaste omgeving in de didactiek. Dat doen ze omwille van de
haalbaarheid; maar toch blijven de belangrijke principes overeind.
Er moet een nieuw coöperatief systeem van onderwijsorganisatie
komen. De professionaliteit van leraren en directies moet beter
gewaardeerd worden. De politieke prioriteiten moeten herzien worden.
Het gaat dan om af te stappen van standaardisering met doelstellingen
op korte termijn en scores op centrale toetsen die via louter
numerieke gegevens de vooruitgang van scholen in kaart brengen. Ook
een inspectie die scholen al te eenzijdig op cijfers beoordeelt, moet
anders worden geöriënteerd.
De slotzin is duidelijk:
De bijdragen van onze getuigen bevestigden onze visie dat
de marktwerking, centralisering en het ‘managerialism’ van de laatste
decennia pasten bij toenmalige doelen, maar nu helemaal uit de tijd
zijn. Het wordt tijd om over te gaan naar een nieuw ijdperk van hoop,
ambitie en samenwerkingsverbanden” (vertaling- RS).
Lees IMPULS – Onderwijstijdschrift voor leidinggevenden
Je onderwijsteam enthousiasmeren en engageren is cruciaal.
Impuls helpt daarbij. Het biedt als enige onafhankelijk tijdschrift ter
zake een waardevolle ondersteuning aan schoolleiders. Impuls publiceert
vier keer per jaar artikelen, interviews, recensies en
achtergrondinformatie over schoolleiderschap. Tussentijdse blogberichten
geven kritische opinies bij de actualiteit.
Abonneren op het tijdschrift IMPULS:
https://gompel-svacina.eu/product/impuls-abo-2023-2024/
#onderwijs #impuls
Reacties
Een reactie posten