Curriculumimplementatie met aandacht voor het kennisrijk curriculum Impuls nr 3 jaargang 56 - Jan Bonne Jan Bonne | Redactiesecretaris Impuls Beste lezer, Benieuwd naar wat er in Impuls 56/3 staat? Hieronder vind je een korte inhoud van de artikelen. De rode draad door de meeste artikelen in Impuls 56/3 heeft te maken met curriculumimplementatie met aandacht voor het kennisrijk curriculum dat er met rasse schreden in het basis- en het secundair onderwijs aankomt. Els Tanghe promoveerde in februari 2025 aan de Universiteit Antwerpen tot Doctor in de onderwijswetenschappen op een onderzoek naar de effectiviteit van professionalisering voor schoolleiders. In het ‘Nieuws uit de onderzoekswereld’ biedt ze samen met Wouter Schelfhout een kader en concrete handvatten om effectieve professionaliseringstrajecten voor kwaliteitsvol onderwijs vorm te geven en het kan dus ook toegepast worden op het (leren) voeren van een schoolbeleid gelinkt aan het werken...
Meetbaarheid en cijferbaarheid - Roger Standaert
op
Link ophalen
Facebook
X
Pinterest
E-mail
Andere apps
Meetbaarheid en cijferbaarheid - Roger Standaert
Impuls Blog, Roger Standaert
Het voorbije decennium heeft er een hele ontwikkeling plaats
gevonden waarbij steeds meer belang wordt gehecht aan de inzet van
centrale toetsen. Denk maar aan de toetsen op het einde van het zesde
leerjaar, de KOALA-toets voor kleuters, de Columbusproef, de toename van
ijkingstoetsen, de instapproef voor lerarenopleidingen, de geplande
inburgeringstoets en niet te vergeten de grootscheepse en dure operatie
van de Vlaamse toetsen. Daarnaast krijgen de resultaten op de
PISA-toetsen, de TIMSS-toetsen en de PIRLS-toets een bijna heilige
verering. De vraag is of dat groeiende geloof in de exacte meetbaarheid
van leerprestaties niet in een ongewenste stroomversnelling is terecht
gekomen. Daarom is het belangrijk te wijzen op de functies en
dysfuncties van metingen van leerlingengedrag en leerlingenprestaties.
Die prestaties worden met cijfers bekleed en geven daarmee een gevoel
van betrouwbaarheid en exactheid. Maar is dat wel terecht?
Punten en contexten
Puntenkaarten zijn een vertrouwd beeld in ons onderwijs.
Rapportcijfers hebben een waarde als communicatie. Als je een tien hebt,
heb je zeer goed gewerkt. Zit je onder de vijf dan is er iets mis.
Cijfers hebben het voordeel van duidelijkheid voor leerlingen en ouders.
Maar je kan niet zeggen dat die cijfers echt op een nauwkeurige schaal
zitten zoals meters, graden, frequenties, voltages of welke
wetenschappelijke schalen ook. Leraren geven cijfers om duidelijkheid te
verschaffen over wat ze in die klas met die leerlingen en die leerstof
verwachten. In die bepaalde context geven punten een - weliswaar
beperkte - feedback aan de leerlingen maar ook aan de leraar. Die
verwachtingen kunnen verschillen bij andere leraren en vakgroepen. Dat
kan ook, voor zo ver ze binnen de krijtlijnen van de eindtermen en
leerplannen blijven. Een eindterm laat immers diverse
operationaliseringen toe in de vorm van lesdoelen. Eindtermen kunnen
nooit lesdoelen zijn omdat ze dan niet alleen strijdig zijn met de
grondwettelijke vrijheid van onderwijs, maar ook de professionaliteit
van leraren ondergraven. Lesdoelen zitten steeds in een bepaalde context
van een klasgroep of school. Overigens zeggen die punten helemaal niets
over waar je echt goed of minder goed in bent. Dat is dan weer de
zwakte ervan. Kort gezegd, punten op toetsen zijn een interessant en
pedagogisch verantwoord hulpmiddel om met leerlingen in een bepaalde
concrete context aan de slag te gaan. Ze zijn echter niet het doel van
het onderwijs.
Het schaduwspel van de cijfers
Vanuit deze concrete situatie kan je overschakelen naar de tendens
om steeds maar meer verplichte toetsen in te voeren. Toetsen zouden dan
exact meten of en in welke mate de leerlingen de doelen hebben bereikt.
De overheid pretendeert daarmee menselijk gedrag te meten, net zoals de
natuurwetenschappen dat doen. Daar komt dan de psychometrie om de hoek
kijken. Die tak van de psychologie kent cijfers toe aan intellectuele
prestaties, zodat je dan met die cijfers alle mogelijke statistische
operaties kan uitvoeren. Gekend zijn de becijferde gemiddeldes en
standaardafwijkingen van leerlingenprestaties. In een verder stadium
worden die dan in verband gebracht met andere cijfers via
correlatieberekeningen, vaak met correcties voor allerlei factoren, die
dan ook een cijferwaarde krijgen. Uiteindelijk heeft dit
meetbaarheidsdenken geleid tot een bijna blind geloof in de waarde van
toegekende cijfers en de steeds verder uitdijende bewerkingen ermee. De
toetsvragen hebben echter geen een- op- een- relatie met de doelen van
het onderwijs. Je kan die doelen immers op verschillende wijze
operationeel maken en dus ook verschillend evalueren.
Bij deze toetsenbeweging wordt het moeilijk erop te wijzen dat
cijfers telkens een mathematische weergave zijn van een bepaalde
kwalitatieve werkelijkheid. Anders gezegd, je zet een cijfer op een
leerprestatie. Maar hoe kom je aan dat cijfer? Waarom staan er zes
punten op een vraag en geen tien? Waarom staat er op iedere vraag één
punt, ook al zijn de bevraagde inhouden niet gelijk van waarde? Waarom
kies je een bepaalde vraag en geen andere om een doel te meten?
Belangrijk is dat de aannames waarop de statistiek gebaseerd is,
telkens kwalitatief van aard zijn, vaak ideologisch gebonden en dus ook
voor discussie vatbaar (cf discussies over eindtermen). Menselijk gedrag
en dus ook leerlingenprestaties zijn niet te vatten in
natuurwetenschappelijke schalen, zoals bijvoorbeeld graden, meters,
frequenties of voltages. Er is geen kookpunt voor begrijpend lezen en
geen vriespunt voor algebra. Je kan wel zien of de leerlingen de
‘participe passé’ beheersen of dat ze een vergelijking van de tweede
graad kunnen oplossen. Maar hoeveel punten is die prestatie dan waard?
Dat blijft een waardeoordeel. Wat je wel kan zien is of de leerlingen de
eindtermen al dan niet bereikt hebben (bijvoorbeeld door dat ze de
daartoe bestemde oefeningen hebben opgelost). Aan die prestatie een
cijferwaarde toekennen is een bepaalde keuze, al dan niet volgens een
bepaald algoritme. De statistische verwerking maakt vaak indruk door de
uitgebreide en nogal eens ingewikkelde cijferacrobatie op de verkregen
punten. Maar die punten verbergen de ijsberg van aannames onder de
zeespiegel. De punten zijn zoals bij een schaduwspel schaduwprojecties
van de werkelijkheid op een scherm. Hoe paradoxaal het ook klinkt:
wanneer je cijfers zet op een bepaald gedrag of op leerprestaties maak
je een keuze die per definitie niet objectief is.
De populariteit van toetsen
Het voorbije decennium is het begrip kwaliteit van het onderwijs
meer en meer doorspekt geworden met de taal van de meetbaarheid. Maar,
zoals gesteld, menswetenschappen volgen niet de exacte logica van
schalen uit de natuurwetenschappelijke wereld. Punten zijn niet
vergelijkbaar met schalen die een vast beginpunt en eindpunt hebben.
Cijfers waren in de oude Latijnse scholen (de voorgangers van onze
humaniora) niet aan de orde. Je moest aan bepaalde normen voldoen en dat
tonen om geslaagd te zijn of een onderscheiding te halen. Het op
cijfers zetten van leergedrag kwam later en volgde de logica van de
natuurwetenschappelijke en technologische evolutie ook al is die niet
toepasbaar op menselijk gedrag. Het is wat gissen over het ontstaan van
cijfers in het onderwijs. De industriële logica van het meten van
arbeidsprocessen via het Taylorisme in het begin van de twintigste eeuw,
was zeker een gangmaker. Voordien, al in de negentiende eeuw, kwamen de
eerste experimentele psychologen voor de dag met op de
natuurwetenschappen gebaseerde metingen van mentaal gedrag. Die beweging
culmineerde in de selectiepsychologie met intelligentietests en
schoolvorderingentests, telkens met de aanname dat ze dekkend waren voor
de bedoelde mentale activiteit. Dat kon echter niet zonder die
activiteiten van een getal of cijfer te voorzien, zodat er allerlei
statistische berekeningen konden mee worden gemaakt. Die stap van het
meten of vaststellen van een gedrag (zoals gebruikelijk in het oude
onderwijs) naar een cijfermatige waardetoekenning is in feite een
kritisch punt in de evolutie van het evalueren op school. In de verdere
evolutie van testmethodes en toetstechnologie wordt systematisch
verdoezeld dat die stap van het waarderen met een getal in feite een
subjectieve ingreep is en dus een beperkte of vervormde voorstelling is
van een vaststaand en waarneembaar gedrag of leerresultaat. Zo kom je
bijvoorbeeld tot de paradoxale en algemeen aanvaarde uitspraak:
intelligentie is wat de intelligentietest meet.
Cijfers hebben het voordeel dat ze de werkelijkheid eenvoudig maken.
Ze geven een gevoel van veiligheid omdat je dan je brein niet moet
vermoeien met de vraag te stellen waarop die cijfers slaan en waarom ze
die waarde kregen. Vaak wordt aangenomen dat iedere vraag op een toets
één punt waard is. Zo krijg je uiteraard vanuit kennisfilosofisch
standpunt een enorme verarming van de realiteit. Iets simplistisch
gesteld: de guldensporenslag is evenveel waard als de Franse revolutie.
Of: de wet van Ohm is evenveel waard als de fotosynthese. Die evolutie
heeft zo geleid tot een bijna blind geloof in de exacte meetbaarheid van
leerprestaties.
Links en rechts verenigd
Die evolutie naar toetsbaarheid wordt gevoed door twee ideologische stromingen.
De eerste is de stroming van het afrekenen (accountability), waarbij
je leraren en scholen kan afrekenen op de behaalde resultaten. Daarbij
is het vergelijken tussen scholen erg aanlokkelijk, zodat je via de
verplichte toetsen ook de goede van de minder goede scholen kan
onderscheiden. Die ideologie past perfect in een marktvisie op het
onderwijs. Ze wordt ook vaak verdedigd door economen, die het
gemakkelijk hebben om met de meetbare indicator ‘geld’ allerlei winst en
verliesrekeningen te maken.
De tweede ideologische grondslag is in wezen emancipatorisch. Door
met exacte cijfers te werken, zie je meteen waar kansarme leerlingen
niet voldoende aan hun trekken komen. Op die wijze kan je dan druk
uitoefenen op leraren en scholen om die resultaten te verhogen.
Paradoxaal zie je op die wijze dat zowel links als rechts zich
vinden in een toetsencultus met allerlei cijfers in tabellen,
taartdiagrammen, gemiddeldes, standaarddeviaties, correlaties en noem
verder maar op.
Cijfers zijn aanlokkelijk en verleidelijk. Een complexe realiteit
van een leerlingenprestatie wordt in een cijfer gegoten, waardoor de
realiteit ogenschijnlijk maximaal transparant wordt. Cijfers worden
populair, zijn de eenvoud zelf en laten maximale communicatie in
allerlei media toe.
Cijfers kunnen begeleiden, leiden, verleiden en misleiden.
Cijfermatige toetsen kunnen een nuttig hulpmiddel zijn, maar ze
mogen niet de doelstellingen worden. Scholen en leraren moeten niet aan
de leiband lopen van de toetsenmakers. Zoals in de aanhef van deze blog
bleek, kunnen cijfers een nuttige hulp zijn voor een (eerder beperkte)
vorm van feedback voor leerlingen, maar ook voor de leraar. Ze hebben
dan een begeleidende en pedagogische functie. Centrale toetsen die via
steekproeven van scholen worden afgenomen kunnen ook een begeleidende
rol spelen. Ze doen nadenken over de bekomen resultaten, maar dienen
niet om scholen te vergelijken. Dat was de bedoeling van de
peilingsproeven, die nu echter afgeschaft worden.
Verplichte toetsen hebben daarnaast een leidende functie. Ze
vervangen het curriculum door toetsen, zodat de doelen van dat
curriculum zodanig worden geoperationaliseerd, dat slechts één variante
ervan geldig is. Verplichte toetsen verslinden als het ware de
doelstellingen en vormen op die manier het enige valabele curriculum.
Ze zijn bovendien verleidend omdat ze toelaten scholen, klassen
leerlingen te vergelijken en op die wijze rangschikkingen op te stellen.
Want wie wil er nu niet hoog staan in een rangschikking? Een verarming
van het curriculum ligt dan voor de hand en door de druk op de leraren
zal die toetsversie dan ook het curriculum vormen. Bovendien zullen dan
de resultaten ook stijgen. Maar die stijging is dan congruent met het
verarmde curriculum. De leergebieden of onderdelen die niet op die
manier worden getoetst, zullen daar onder lijden.
Ten slotte kunnen verplichte cijfermatige toetsen ook misleiden
wanneer ze gebruikt worden als legitimering bij ideologisch gekleurde
opvattingen over wat kwaliteit is. Dan is de weg open voor influencers
en in bepaalde media opgevoerde ‘experten’, die vaak door bepaalde
organisaties of partijen worden ingeschakeld om de media te beroeren.
Doemdenken is dan nooit ver af.
Cijfergeletterdheid gewenst
De school moet best geen toetsinstituut worden met ingewikkelde
berekeningen over prestaties die over elkaar buitelen. Die zien er
telkens indrukwekkend uit, maar ze verbergen een heel palet aan
opeenvolgende aannames. Een grondige reflectie over de
kennisfilosofische waarde van meetbaarheid van menselijk gedrag dringt
zich op. Leer-en onderwijsprocessen zijn per definitie interactief en
contextueel van aard en vragen een flexibele en vaak onvoorspelbare
aanpak.
Het is vaak bevreemdend om te zien hoe cijfers of toetsresultaten de
ronde doen in de media. De opstellers van de toetsen krijgen steeds een
breed forum, maar worden zelden gecounterd door kritische stemmen over
de relativiteit van cijfers, de methodologische gebreken en de aannames
die vaak verborgen worden onder een statistisch jargon, dat er voor
leken erg exact uitziet. Het is daarom belangrijk dat leraren,
schoolbesturen en zelfs politici enig inzicht krijgen in
cijfergeletterdheid, toegepast op het onderwijs. Het gaat dan op de
eerste plaats over statistische basiskennis maar ook over inzicht in de
psychologische, commerciële, economische en cultureel bepaalde
mechanismen die cijfers versluieren of verdraaien.
Discussie
Voor wie er na lezing van deze blog zin in heeft, volgt een aanzet
voor een bezinning over iets dat op cijfergeletterdheid lijkt. Het zijn
stellingen en daar kan uiteraard over worden gediscussieerd.
Stellingen in verband met cijfergeletterdheid
-We moeten aanvaarden dat we in de menswetenschappen niet kunnen meten zoals in de natuurwetenschappen.
-We geloven zelfverzekerde experts op hun woord, zonder echt inzicht te hebben in hun argumentaties.
-Een onderwijsexpert is die naam pas waard wanneer hij/zij zelf ooit voor de klas heeft gestaan.
-Als een expert spreekt, moet je niet je hersens op non-actief instellen.
-Als we onzeker zijn, zoeken we zekerheid bij experts waarvan we
veronderstellen dat hun zekerheden gepaard gaan met dito competentie.
-Cijfers moet je altijd bekijken in een bepaalde context vooraleer je reageert.
-Als er in statistisch materiaal schokeffecten en extreme uitschieters voor komen, is wantrouwen gewettigd.
- Je kan ook zoeken naar mogelijke cijfers die niet gegeven zijn.
-In de veelheid van cijfers en statistisch gegevens moet je
nutteloze cijfers kunnen elimineren omdat ze de cijfers die ertoe doen
ondersneeuwen.
-Als assenstelsels worden gebruikt voor diagrammen of
overzichten moet de y-as met nul beginnen om echte effecten te kunnen
zien.
-Als de feiten veranderen stel dan je vertrouwde meningen in vraag.
-Breedsprakerigheid en ingewikkeld jargon imponeren mensen en wekken de indruk betrouwbaar te zijn.
-Resultaten bij grote onderzoeken en steekproeven moet je
bekijken vanuit absoluut gestelde normen en niet op een vergelijking via
een normaalverdeling.
-Heel wat cijfers en a fortiori hun beoordeling zijn ofwel uit
een context gerukt, zwak ondersteund, nep ofwel gepubliceerd tegen
betaling.
-Bij het interpreteren van cijfers is het aan te bevelen
verschillende gezichtspunten met verschillende achtergronden aan bod te
laten komen.
-Als er geklaagd wordt over daling van de kwaliteit, vraag dan over welke kwaliteit het gaat. DE kwaliteit bestaat immers niet.
Je onderwijsteam enthousiasmeren en engageren is cruciaal. Impuls helpt daarbij. Het biedt als enige onafhankelijk tijdschrift ter zake een waardevolle ondersteuning aan schoolleiders. Impuls
publiceert vier keer per jaar artikelen, interviews, recensies en
achtergrondinformatie over schoolleiderschap. Tussentijdse blogberichten
geven kritische opinies bij de actualiteit.
Info en abonneren: https://gompel-svacina.eu/product/impuls-abo-2022-23/
Reacties
Een reactie posten